Ik merk dat er opnieuw iets verschuift in de wereld van AI. Eerst was de grote vraag: hoe snel worden de nieuwe AI-systemen beter? Daarna ging het steeds vaker over agents, loops en de manier waarop AI werk van ons gaat overnemen. Maar de afgelopen dagen komt er voor mij een andere vraag bij, en die voelt misschien nog fundamenteler: wat als de beste AI niet meer voor iedereen beschikbaar is?
Dat klinkt misschien overdreven, maar kijk naar wat er nu gebeurt. Anthropic schreef eerder dat het door een Amerikaanse overheidsrichtlijn toegang tot Fable 5 en Mythos 5 moest uitschakelen. En nu schrijft OpenAI bij de aankondiging van GPT-5.6 Sol dat de nieuwe AI eerst in beperkte preview beschikbaar komt voor een kleine groep trusted partners in Codex en de API, op verzoek van de Amerikaanse overheid. OpenAI zegt erbij dat het brede toegang belangrijk vindt en dat de AI in de komende weken breder beschikbaar moet komen. Maar toch is dit een moment om even bij stil te staan.
Want voor het eerst voelt het niet meer vanzelfsprekend dat de krachtigste AI gewoon naar iedereen komt zodra die klaar is.
Toegang wordt macht
Tot nu toe was de gedachte achter AI eigenlijk best democratisch. Je had een abonnement nodig, of API-toegang, of soms gewoon een gratis account. Natuurlijk waren er verschillen tussen gratis gebruikers, betalende gebruikers en bedrijven, maar in de basis kon bijna iedereen vrij snel met de nieuwste AI aan de slag. Een student, een zzp'er, een startup, een docent, een programmeur, een ondernemer of iemand die gewoon nieuwsgierig was.
Dat is belangrijker dan veel mensen beseffen. Want AI is niet zomaar een nieuwe tool. Het is een vermenigvuldiger van denkwerk. Als jij toegang hebt tot betere AI, kun je sneller schrijven, sneller programmeren, sneller analyseren, sneller leren, sneller ontwerpen en sneller experimenteren. Je kunt meer werk verzetten dan iemand zonder die toegang.
Als de beste AI alleen beschikbaar is voor overheden, grote bedrijven en geselecteerde partners, dan ontstaat er dus een nieuwe ongelijkheid. Niet tussen mensen die wel of geen computer hebben. Niet tussen mensen die wel of geen internet hebben. Maar tussen mensen en organisaties die wel of geen toegang hebben tot de krachtigste intelligentie van dat moment.
Dat vind ik een bizarre gedachte.
Een nieuwe digitale kloof
We kennen de digitale kloof al. Er was een tijd waarin toegang tot internet een groot verschil maakte. Daarna werd het verschil wie goed met software kon werken. Daarna werd het verschil wie data goed had georganiseerd. En nu komt daar misschien iets bij: wie toegang heeft tot de beste AI.
Als een groot bedrijf een nieuw AI-systeem eerder krijgt dan een kleine startup, dan kan dat bedrijf sneller producten bouwen, sneller code schrijven, sneller markten analyseren en sneller interne processen verbeteren. De startup moet het dan doen met oudere AI, beperktere AI of open-source AI die misschien goed is, maar net niet op hetzelfde niveau zit.
Dat is misschien maar een paar weken verschil. Maar in AI kunnen een paar weken veel betekenen. Zeker als de AI zelf weer wordt gebruikt om de volgende generatie AI te bouwen, betere software te maken of concurrentievoordeel op te bouwen. Dan wordt vertraging niet alleen vertraging. Dan wordt vertraging een structurele achterstand.
En dat is waar ik me zorgen over maak.
Veiligheid is belangrijk, maar concentratie ook
Ik wil niet doen alsof veiligheid onbelangrijk is. Natuurlijk moeten we nadenken over cybersecurity, misbruik, jailbreaks, militaire toepassingen en de vraag wat er gebeurt als extreem krachtige AI in verkeerde handen valt. Dat gesprek is terecht. Het zou naïef zijn om te zeggen: gooi alles maar open en we zien wel wat er gebeurt.
Maar er zit een ander risico naast. Als we uit veiligheidsoverwegingen de krachtigste AI alleen beschikbaar maken voor een kleine groep partijen, dan concentreren we macht. Dan krijgen juist de grootste spelers meer voorsprong. Dan krijgen overheden en grote bedrijven eerder toegang tot de gereedschappen die de rest van de samenleving later pas mag gebruiken.
Dat voelt niet automatisch veiliger. Het kan op sommige punten veiliger zijn, maar op andere punten juist gevaarlijker. Want een samenleving waarin een kleine groep toegang heeft tot de beste AI en de rest moet wachten, is ook geen gezonde samenleving.
Het probleem is dat toegang tot AI steeds meer een machtsvraag wordt.
We zijn afhankelijk geworden
Wat mij vooral raakt, is hoe afhankelijk we al zijn geworden van een paar AI-aanbieders. Veel mensen werken inmiddels dagelijks met ChatGPT, Claude, Gemini, Perplexity, Codex, Claude Code of andere AI-tools. Bedrijven bouwen workflows, agents en interne processen rond deze systemen. Ik doe dat zelf ook. Mijn werk is sneller, slimmer en efficiënter geworden door AI.
Maar daardoor wordt de afhankelijkheid ook groter. Als een AI-aanbieder iets uitzet, verandert, duurder maakt of alleen nog aan bepaalde klanten beschikbaar stelt, dan voel je dat meteen. En dat geldt niet alleen voor individuen. Dat geldt nog sterker voor organisaties die AI al diep in hun werkprocessen hebben gestopt.
Ik schreef eerder al over de vraag wat er gebeurt als je AI ineens wordt uitgezet. Maar deze ontwikkeling voegt daar een laag aan toe. Het gaat niet alleen om toegang verliezen. Het gaat ook om het verschil tussen toegang hebben tot de beste AI en toegang hebben tot een oudere of minder krachtige AI.
Dat verschil kan straks bepalend worden.
Open-source en lokale AI worden belangrijker
Daarom denk ik dat open-source AI en lokale AI belangrijker worden. Niet omdat open-source AI altijd beter is. Dat is vaak niet zo. De allerbeste AI draait meestal nog bij grote AI-aanbieders in de cloud. Maar open-source en lokale AI geven je iets anders: onafhankelijkheid.
Als je een AI lokaal kunt draaien op je eigen computer of op een eigen server, kan niemand die toegang zomaar uitzetten. Het is misschien minder krachtig. Het is misschien minder makkelijk. Je moet leren hoe het werkt. Je hebt hardware nodig. Je moet keuzes maken over welke AI je gebruikt en waarvoor. Maar je bouwt wel een basis die van jou is.
Ik denk dat dit voor bedrijven, overheden en misschien zelfs individuen een strategisch onderwerp wordt. Niet alles hoeft lokaal. Niet alles hoeft open-source. Maar je moet wel weten wat je doet als je externe toegang wegvalt of als de beste AI alleen nog beschikbaar is voor een geselecteerde groep.
Dat is vergelijkbaar met energie. Je hoeft niet meteen volledig van het elektriciteitsnet af. Maar zonnepanelen, een batterij of een noodvoorziening kunnen wel zorgen dat je minder kwetsbaar bent. Met AI gaan we volgens mij dezelfde kant op. Niet iedereen hoeft zijn eigen datacenter te bouwen, maar iedereen zou moeten begrijpen hoe lokale AI werkt en welke taken je daar eventueel naartoe kunt verplaatsen.
Waar stuur je je beste data heen?
Er zit nog een tweede laag onder. AI-aanbieders worden niet alleen beter door onderzoekers en chips. Ze worden ook beter door gebruik. Door alle vragen, antwoorden, code, correcties, projecten en workflows die mensen met hun systemen maken. Juist de meest waardevolle gebruikers leveren vaak de meest waardevolle data op: goede programmeurs, strategen, onderzoekers, ondernemers en makers die complexe problemen oplossen.
Dat betekent dat je als individu of organisatie moet nadenken over waar je je beste werk naartoe stuurt. Niet elke prompt is even belangrijk. Als ik een AI vraag om een boodschappenlijstje te maken, maakt dat niet zoveel uit. Maar als ik mijn beste ideeën, bedrijfsstrategie, klantinformatie, code, onderzoek of persoonlijke kennis in een extern systeem stop, dan geef ik iets veel waardevollers weg.
Ik zeg niet dat je dat nooit moet doen. Ik doe het zelf ook. Soms is de waarde van de beste externe AI simpelweg te groot om te negeren. Maar ik denk wel dat we bewuster moeten worden. Welke data stuur ik naar welke AI-aanbieder? Welke informatie houd ik liever lokaal? Welke processen moeten kunnen blijven draaien als een aanbieder morgen de voorwaarden verandert?
Dat zijn geen technische vragen meer. Dat zijn strategische vragen.
Begin klein
Ik denk niet dat iedereen morgen een eigen AI-server hoeft te kopen. Dat is voor de meeste mensen niet logisch. Maar ik denk wel dat iedereen die serieus met AI werkt, moet beginnen met kleine stappen. Download eens een open-source AI. Draai eens iets lokaal. Kijk wat je laptop aankan. Experimenteer met een simpele taak die niet afhankelijk is van een externe aanbieder. Leer het verschil tussen AI in de cloud en AI op je eigen apparaat.
Voor bedrijven geldt hetzelfde. Bouw niet meteen een groot intern AI-platform omdat het stoer klinkt. Begin met vragen. Welke AI-processen zijn kritisch? Welke data is gevoelig? Waar zijn we afhankelijk van één aanbieder? Waar kunnen we makkelijk wisselen? Waar moeten we een lokaal alternatief hebben? Waar accepteren we afhankelijkheid omdat de kwaliteit van externe AI simpelweg veel beter is?
De volwassen houding is volgens mij niet paniek. Het is ook niet blind vertrouwen. Het is voorbereiding.
De vraag die blijft hangen
Misschien komt GPT-5.6 over een paar weken gewoon voor iedereen beschikbaar. Misschien komt Fable terug. Misschien blijkt dit achteraf een tijdelijke fase. Dat kan allemaal. Maar zelfs dan is er iets zichtbaar geworden wat niet meer verdwijnt.
Toegang tot de beste AI is niet vanzelfsprekend.
En zodra dat waar is, verandert het gesprek. Dan gaat AI niet alleen over productiviteit, gemak of innovatie. Dan gaat AI over macht, afhankelijkheid, geopolitiek en de vraag wie mag meedoen aan de toekomst.
Ik blijf optimistisch over wat AI kan brengen. Echt. Maar optimisme zonder strategie is naïef. Als AI zo belangrijk wordt als ik denk, dan moeten we niet alleen leren hoe we AI gebruiken. We moeten ook leren hoe we voorkomen dat toegang tot AI iets wordt wat anderen voor ons bepalen.